Filosofen Stine Jensen en Désanne van Brederode over openstaan voor het leven

Filosofe Désanne van Brederode wil openstaan voor het leven. Haar boek ‘De ziel onder de arm. Over aandachtig leven’ gaat daarover. Filosofe Stine Jensen interviewt haar.

Filosofen Dtine Jensen en Désanne van Brederode over openstaan voor het leven

Filosofen Stine Jensen en Désanne van Brederode over openstaan voor het leven

Wat versta je onder aandachtig leven? En waarin verschilt het van mindfulness?

“Mindfulness kan al gauw een handig trucje worden: oefeningen die je kunt inzetten om zelf geconcentreerd, kalm en gelukkig in het hier en nu te worden of te blijven. Resultaat en eigenbelang staan dan voorop. Je moet er wat aan hebben. Aandachtig leven betekent aandacht voor je omgeving, de mensen, de sfeer. Dat oefen je de hele dag door, en niet om er zelf beter van te worden. Je wilt het recht doen door open te staan. Aandachtig leven is: de dingen en mensen iets met jou laten doen, in plaats van omgekeerd.”

Er is een trend binnen de filosofie die meer rust en stilte bepleit, in deze drukke samenleving vol prikkels. Wat vind je daarvan?

“Hoeveel stilte en rust nodig is en waarvan je tot rust komt, verschilt per persoon. Je moet daar voor jezelf achter komen, wat voor jou goed is. Het kan ook per situatie verschillen. De stilte opzoeken en je niet uiten is ook niet per se goed. Dit kan innerlijk ook een enorme herrie opleveren, het continue getoeter van je eigen hoogdravendheid. In de hectische tijd kort na mijn debuut en rondom mijn afstuderen heb ik me een tijd van alles en iedereen afgezonderd. Terugkijkend besefte ik pas: als er te veel stilte is, kun je de kleinste missers en probleempjes heel groot maken in je hoofd, alles draait om je eigen ego. Dan ben je bijvoorbeeld heel druk met hoe je overkwam op een feestje. Ik was toen nog alleenstaand; als moeder moet je de volgende morgen gewoon de boterhammen in het broodtrommeltje doen, of mee naar zwemles. Dat soort alledaagse dingen geeft ook veel rust…

Mensen maken zich druk om van alles. Is dat verkeerd?

“In essentie betekent boosheid bijna altijd onmacht of het gevoel dat je dingen niet in je eentje kunt veranderen. Dat geldt ook voor boosheid over dingen die in de wereld gebeuren. Ik geloof niet in de diepere bedoeling van leed. Het is moeilijk om te aanvaarden dat er zoveel zinloze ellende is op de wereld, maar je kunt dat gevoel van onmacht wel vormgeven en met elkaar delen. Dan richt je jezelf op dat wat positief is.”

En dat hoeft niet klein te zijn, ontdekt Désanne door naar haar moeder te kijken, die zestien jaar geleden overleed. “Mijn moeder meende dat om iets goeds te doen, je grootse, meeslepende dingen moest doen. Maar terwijl ze gefrustreerd haar enorme dromen bleef dromen, had ze al zoveel goeds gedaan. Ze had ze er altijd zo uitgevist, mensen met problemen. En door openhartig te zijn over haar eigen roerselen was ze anderen steeds tot steun geweest. Gelukkig ontdekte ze dit op haar sterfbed ook. Houd het dichtbij, is de conclusie die je hieruit kunt trekken.

In haar boek pleit Désanne voor wankelmoed: de moed om te twijfelen, het even niet te weten. Waarom dit pleidooi?

“Zekerheden en onwrikbare meningen brengen ons vaak minder dan vragen en twijfel. In deze tijd wordt verwacht dat je een eenduidige mening hebt of weet wat er gedaan moet worden. Dat zie je ook in talkshows. Soms vind ik het zo verkrampt; ik heb deze mening en ik moet me er per se aan vast houden. Ik word soms ook gevraagd voor een talkshow, bijvoorbeeld over mensenrechten. Dan zeg ik nee, daar heb ik geen verstand van. En dan zie ik ‘s avonds Prem aan tafel zitten. Daar moet ik dan hard om lachen: ik was inwisselbaar met Prem – en een grotere afstand is niet denkbaar! Tenminste… wankelmoed is niet mijn eerste gedachte bij Prem.”

Hoe wankelmoedig ben jij zelf?

“Waarschijnlijk is het zo dat ik op dit gebied mezelf ook probeer op te voeden. Dat je eigenlijk schrijft over dat wat je juist niet kan. Misschien pleit ik daarom wel voor de moed om te twijfelen. Om open te staan. Omdat ik juist in bepaalde dingen zo dogmatisch ben, en heel goed voor anderen denk te weten hoe het moet – of beter kan. Ik schrijf niet om therapeutische redenen, maar ik voed mezelf wel graag op aan de hand van mijn eigen inzichten. Ik werk het eerst helemaal uit, en stel mezelf dan de vraag: vínd ik dit alleen maar, of doe ik er ook wat mee? En daar gaat het om – want je bent en blijft natuurlijk altijd aan het worden, hoe oud je ook bent.”

Om te illustreren hoe sterk onze drang is ergens iets van te vinden, en te denken dat we het wel weten, wijst Désanne naar de stroopwafels op tafel.

“Als jij dit zakje stroopwafels gaat beschrijven, uitsluitend vanuit deze positie, hoe snel mengen zich dan niet toch weer meningen in je beschrijving? In plaats van te benoemen wat je ziet, namelijk, bruine ronde dingen met een ruitjespatroon erop, zeggen veel mensen toch: “dat zijn zoete koeken die…” maar dat weet je nog helemaal niet als je alleen maar kijkt!”

En zo zijn we weer terug bij het ontvankelijk en aandachtig leven. Wie zijn zintuigen oefent, ziet meer, is zowel scherp als beschouwelijk, en jawel, ook grappig – want dat is Désanne ook. Het gesprek dat ik met haar voerde was als een zintuiglijke dans – voortdurend in beweging: steeds ging Désanne heen en weer: bedoel je dit, of dit? Wat betekent ‘goed’ of ‘raken’? Dat is in feite een prachtige demonstratie van wankelmoed.